Marie getuigt: “Er was maar één struik langs het weggetje en daar zat hij achter”

971

Een maand geleden besloot Julie Van Espen, 23, met de fiets van Schilde naar Antwerpen te trekken. Ze kwam echter nooit op haar bestemming aan. Veroordeeld verkrachter Steve Bakelmans kruiste haar pad en bracht de jonge studente gewelddadig om het leven. “Ik heb hetzelfde meegemaakt, maar ik had het geluk dat ik er wel uit ben gekomen”, getuigt Marie.

Net voordat ik de zaak van Marie binnenstap, kruist mijn blik die van een man op straat. Hij blijft mij aanstaren, oncomfortabel lang. Ik doe alsof ik het niet merk en wandel verder op mijn doel af. Net voordat ik binnenga, roept hij me na: “Sorry dat ik zo lang naar u keek, juffrouw.” Het is te laat om me nog om te draaien, want ik sta al met één voet binnen en Marie steekt meteen haar hand naar me uit.

“Ik heb mijn verhaal vanmorgen nog even opgeschreven”, zegt ze. “Want terwijl je aan het vertellen bent, vergeet je soms dingen. Het is ook al zo lang geleden en je probeert zoveel te vergeten bij het verwerkingsproces, dat de details soms door elkaar lopen. Maar weet goed: ik wil geen medelijden. Ik wil benadrukken dat je hier door kunt komen. Ik heb het zwaar gehad, maar ik heb ook een leven kunnen uitbouwen. Ik ben nu 58 jaar, maar ik voel me nog jong en heb nog heel wat dat ik wil verwezenlijken in mijn leven. Hierover kunnen vertellen, is daar een voorbeeld van.”

Ik laat haar het woord.

Ik woonde ‘op den buiten’, niet ver van Antwerpen, en volgde een cursus van vijf dagen per week om mijn rijbewijs te halen. Ik was nog een prille twintiger en in die tijd reden we allemaal nog overal naartoe met de fiets. Mijn toenmalige vriendin, die een dorp verder woonde en telkens met me mee naar huis reed, werd de laatste vrijdagavond van de cursus opgehaald door haar ouders. Ik reed die avond dus alleen naar huis. Er waren maar twee straten die naar mijn dorp leidden: de grote steenweg en een andere, lange straat die evenwijdig liep, maar onderbroken was door een smaller landweggetje van 4 à 500 meter. Wanneer je het weggetje in reed, kon je de volgende straat al zien. Er stonden geen bomen meer langs de kant, want op de weilanden eromheen zouden villa’s gebouwd worden.

Het was eind februari 1982, een prachtige dag, en ook om half negen ’s avonds was er nog veel volk op straat. Er was vlakbij een bushalte, een pleintje, een bakker, een beenhouwerij en een krantenwinkeltje. Net voordat ik het weggetje in sloeg, bekroop me een vreemd gevoel. Ik dacht nog: zou ik wel langs hier fietsen, of zou ik langs de steenweg rijden? Maar ik wilde ook nog even dag gaan zeggen aan mijn vriend, die aan het einde van de straat woonde, en reed dus toch maar rechtdoor. Er stond één struikje in het midden van die 500 meter en daar sprong hij achter vandaan.

Zo’n man heeft een bovennatuurlijke kracht. Ik voelde gewoon dat hij dit nog had gedaan.

“Hij greep me langs achter bij de keel en sloeg me op de grond. Het eerste dat ik deed, was roepen. Er was toch nog veel volk op straat, iemand moest me toch kunnen horen? Mijn vader was nog amateurbokser geweest, dus ik had een paar technieken geleerd, maar mijn fiets lag tussen mijn benen en ook mijn tas zat in de weg. Die man was zo sterk, dat ik me gewoon niet kon verweren.”

Toen begon hij me te wurgen. ‘Zwijg, of ik vermoord je’, zei hij een paar keer. Ik vocht voor mijn leven. Toen voelde ik een harde stoot, mijn hoofd dat tegen het beton sloeg, en verloor ik het bewustzijn.

“Op dat moment zag ik mijn leven aan mij voorbij trekken. Terug in de tijd ging het, tot ik heel klein was. Ik herinner me ook dat ik gele tulpen zag. Geen idee waar dat beeld vandaan kwam, maar dat staat me nog prominent op het netvlies. Daarna kwam ik terug bij. Gelukkig.”

De man sleurde me bij de keel naar de struik en haalde ook mijn fiets van de weg af. Het was dan ook nog maar half negen en er konden nog steeds mensen passeren. Ik heb nog gesmeekt en loog dat ik mijn maandstonden had, voor zover ik nog iets kon uitbrengen nadat hij mijn keel had dichtgeknepen, maar dat haalde niets uit. Hij heeft me langs boven verkracht en is in me klaargekomen.

“Ik heb hem zijn goesting moeten geven. Hij was zo buitengewoon sterk, dat je zelf niets meer kan doen. Je verweren heeft geen zin, want van zo iemand haal je het toch niet. Nadien zei hij me dat ik blij mocht zijn dat hij me had laten leven. Ik moest wachten tot hij weg was en dan mocht ik mijn fiets nemen en wegrijden. Met alle kracht die ik nog in me had, ben ik naar het huis van mijn vriend gereden, die nog bij zijn ouders woonde. Het was al half elf en hij was niet meer thuis. Blijkbaar was hij op het moment van mijn verkrachting zelfs voorbij het weggetje gereden met zijn wagen. Dat heeft hij zichzelf nooit vergeven.”

Zijn ouders hebben mij opgevangen. Mijn gezicht lag helemaal open, mond gezwollen, bloed overal, de vingers van mijn verkrachter stonden in mijn keel afgedrukt. Ik was ernstig gewond. Ze gaven me een cognac om te kalmeren, want ik trilde over mijn hele lichaam. Mijn broer is me komen ophalen. De volgende ochtend kwam mijn vriend langs. Hij dwong me om naar de dokter te gaan. Die wist te vertellen dat er de laatste tijd veel verkrachtingen waren. Mijn zaak was de ergste tot nu toe. Het moest ophouden. De rijkswacht werd erbij gehaald en die hebben mij gelukkig heel goed geholpen. Niemand legde de schuld bij mij. Logisch, want de ernstige, fysieke gevolgen waren nog steeds zichtbaar.

Mijn vriend heeft me ook enorm gesteund. Hij heeft me overgehaald om klacht in te dienen en heeft affiches opgehangen bij de plaatselijke winkels. Na vier maanden werd de dader gevat. Hij was naar dezelfde plaats teruggekeerd om opnieuw toe te slaan. Blijkbaar was hij een man van 35 met twee kinderen en had hij op een periode van twee jaar tijd al twintig meisjes aangevallen. Sommige meisjes waren fysiek minder erg toegetakeld dan ik, ook niet iedereen was verkracht, maar velen waren er mentaal veel erger aan toe dan ik. Hij kreeg 1 jaar celstraf en twee voorwaardelijk.

“Ik ben zelf tekenaar en ken de details van een gezicht als geen ander, maar hem kon ik niet tekenen. Tussen de 35 en 40 mensen moest ik bij de politie gaan herkennen van achter spiegels en vensters. Ook moest ik boeken gaan inkijken met reeds geregistreerde verkrachters. Maar daar zat hij niet bij. Toen ze hem hadden gevat, moest ik weer naar het bureau. Op dat moment voelde ik niets meer, omdat ik niets meer wilde voelen. Maar toen ik hem zag, begon ik meteen te trillen en tranen begonnen oncontroleerbaar over mijn wangen te stromen. De politie wist meteen genoeg.”

Je moet vechten om te overleven, niet om dood te gaan.

“Vijf jaar had ik nodig om er bovenop te komen. In die tijd bestond er geen slachtofferhulp, dus ik was op mezelf aangewezen. Maar eigenlijk ben je dat altijd in zo’n geval. Als je overleeft, kan je niet anders dan het een plaats geven en doorgaan met je leven. Je moet gewoon, je kan het niet terugdraaien. Ik heb heel lang geworsteld met de waarom-vraag. Waarom ik? Waarom moest dit gebeuren? Maar daar is geen antwoord op. Niemand kan zoiets voorspellen. Ik was gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.”

“Daarbij is het niet alleen mij overkomen. Er waren er nog twintig anderen. En zoals de tijd uitwijst, zijn er duizenden meisjes en vrouwen die elke dag het slachtoffer worden van verkrachting. Alleen wisten we dat vroeger nog niet en dacht ik dat ik de enige was, een uitzonderlijk geval. Ik sprak er dan ook met niemand over.”

“Maar ik had een doel in mijn leven. Ik wou iemand zijn. Ik wou hierover kunnen vertellen. Om anderen bewust te maken van wat er kan gebeuren. En om hen te waarschuwen. Je moet vechten om te overleven, niet om dood te gaan. Julie Van Espen heeft gevochten tot de dood. Ik was ondersteboven toen ik dat las. Ze had, zoals ik, nog een leven kunnen hebben. Oké, mijn leven had er heel anders uit kunnen zien. Ik had in mijn dorp kunnen blijven wonen, getrouwd kunnen zijn en ik had kinderen kunnen hebben. Na mijn verkrachting heb ik het uitgemaakt met mijn vriend, omdat ik niet wilde dat hij bij mij bleef uit medelijden. Zes jaar ben ik alleen geweest. Nu ben ik zeventien jaar bij mijn huidige partner en heb ik een eigen zaak in Antwerpen. Ik zal nooit meer alleen door het schemerduister fietsen, maar ik kan zonder angst over straat wandelen en met onbekenden praten. Ik kan ook heel goed mensen inschatten. Het blijft een litteken dat je met je meedraagt, maar ook met littekens kun je leven.”

REACTIES

Lees ook Meer van deze auteur